Buitenlandclausule – wat betekent die precies?

Veel OR-leden zullen ergens in een hoekje van hun geheugen dit woord hebben opgeborgen, maar sommigen hebben er daadwerkelijk mee te maken.

Het gaat om een toevoeging aan de lijst met adviesplichtige besluiten in artikel 25.1 die ingaat op sub b waarin overname, duurzame samenwerking en financiële deelneming (of het wijzigen of ongedaan maken daarvan) worden vermeld, inclusief een externe adviesopdracht conform sub n.
De vraag is of het adviesrecht geldt bij een overname, samenwerking of deelneming die een buitenlandse onderneming betreft – vandaar de roepnaam van deze bepaling.

In de praktijk wordt er nogal slordig met de uitleg van deze clausule omgegaan.
Zo wordt soms zelfs beweerd dat het adviesrecht niet geldt als het een buitenlandse onderneming gaat, of in principe niet. Of de uitleg is dat het adviesrecht alleen geldt als de overname directe gevolgen heeft voor de Nederlandse onderneming. Of deze cryptische tekst: ‘Als het besluit echter wél belangrijke gevolgen heeft voor de Nederlandse onderneming, dan heeft de OR adviesrecht over besluiten die de ondernemer neemt over de gevolgen.’

Wat staat er eigenlijk precies?
Er staat: ‘(het adviesrecht) is niet van toepassing wanneer de andere onderneming in het buitenland gevestigd is of wordt en redelijkerwijs niet te verwachten is dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder c-f (met betrekking tot de Nederlandse onderneming)’

Er moet dus aan twee voorwaarden worden voldaan: het gaat om een buitenlandse onderneming én het is redelijkerwijs niet te verwachten dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een van de andere genoemde adviesplichtige besluiten, zoals wijziging van managementstructuur, inkrimping van bedrijfsactiviteiten of verplaatsing van de onderneming.
De vervolgbesluiten moeten dus redelijkerwijs níet zijn te verwachten. Daar staat niet bij ‘op korte termijn’. Toch beweren bestuurder wel eens dat het adviesrecht niet geldt ‘omdat wij op dit moment geen plannen hebben die met sub c-f verband houden’ en denken dat de discussie daarmee afgelopen is.

In de parlementaire behandeling in 1978 is duidelijk gemaakt dat de ‘redelijke verwachting’ verband houdt met i) de buitenlandse onderneming is in verhouding tot de Nederlandse onderneming van aanzienlijke omvang, ii)  de buitenlandse onderneming behoort tot dezelfde of een nauw verwante branche en iii) de buitenlandse onderneming is op dezelfde of nagenoeg dezelfde markt werkzaam.
Als een of meer van de drie geldt, groeit de aannemelijkheid dat genoemde vervolgbesluiten denkbaar zijn en dus dat het adviesrecht geldt.

Kortom, het luistert nauw bij de buitenlandclausule en het adviesrecht vervalt niet zomaar. Alleen als de bestuurder schriftelijk en formeel zou verklaren dat geen van de vervolgbesluiten zich ooit zal voordoen, kan de OR daar weinig tegenin brengen. Maar ik moet de bestuurder nog tegenkomen die zoiets op papier durft te zetten.